|
|
Taal van Rouw
Regelmatig lees ik over de onaanvaardbaarheid van de dood van een kind. Ouders hóren hun kinderen niet te begraven. Het wordt “onnatuurlijk” genoemd. Trouwe kerkgangers keerden zich af van God toen hun kind stierf. Is dit terecht?
Wanneer je om je heen kijkt, kun je niet ontkennen dat de dood bij het leven hoort. In de natuur sterven jonge dieren op grote schaal. Bij vogels overleven er vaak maar een of twee uit nesten van acht tot twaalf. Bij de meeste in het wild levende zoogdieren is sterfte in de jongenfase eveneens een veel voorkomend fenomeen. Mensenkinderen vormen daarop géén uitzondering. In archieven is te lezen dat in vorige eeuwen kinderen vaak jong overleden, regelmatig meerdere kinderen uit één gezin. Op veel plaatsen in de wereld is dat nog steeds zo. Kinderen zijn de eerste slachtoffers bij ziekte, honger en geweld. Kranten, radio en tv brengen het met grote regelmaat in onze huiskamer.
In West-Europa is kindersterfte door de verbeterde levensomstandigheden sterk afgenomen. Tóch gebeurt het. Het menselijk lichaam is een wonder, maar soms gaat er wat mis, met de dood als gevolg. Oók bij kinderen en jongvolwassenen. Daarbij worden vooral jongeren het slachtoffer van het alsmaar toenemende verkeer.
Het is niet te vergelijken met de kindersterfte van een paar eeuwen geleden en in de Derde Wereld. Maar het kómt voor. Het hoort blijkbaar bij het leven, met alles wat goed en mooi en alles wat verschrikkelijk en niet te bevatten is.
Hoewel het niemand kan ontgaan dat ook in onze omgeving kinderen doodgaan, realiseren we de impact hiervan pas als het om ons eigen kind gaat. Dan lijkt de hele wereld op de kop te staan, dit kan niet, dit mag niet. Niet bij ons! Sommige ouders voelen het als een onaanvaardbaar onrecht.
Eigen verdriet is vaak moeilijk in perspectief te zien. Het accepteren van lasten is zoveel zwaarder dan het accepteren van lusten. Sommigen zoeken een oorzaak, een schuldige, waarop ze hun wanhoop, boosheid en frustratie kunnen afreageren. God bijvoorbeeld.
Het helpt misschien om jezelf een paar vragen te stellen: waarom is het voor mij onacceptabel dat kinderen sterven? Of geldt het alleen voor mijn eigen kind? In hoeverre is deze opvatting reëel? Wie bepaalt wat al of niet acceptabel is? Wanneer ik dat wat ik verloren heb, zet tegenover dat wat mij gebleven is, zijn mijn boosheid en verbittering dan terecht? Waarom zijn mijn verworvenheden wel acceptabel en mijn verlies niet? Wie stelt de spelregels voor ons leven vast?
Zijn wij mensen in een positie om God te kapittelen over geleden verdriet? Onze dromen zijn verstoord, maar er is een verschil tussen de werkelijkheid van het leven en onze dromen en wensen. Dromen mag je gerust koesteren, maar ze zijn voor eigen rekening. Dit klinkt hard, maar het leven ís hard.
Er is verschrikkelijk veel verdriet in de wereld. Niemand ontkomt er aan. De manier waarop je er mee omgaat, bepaalt voor een groot deel het verdere verloop van je leven. Praten met een therapeut, psycholoog, theoloog of met lotgenoten. Boeken lezen over onderwerpen die met verdriet en dood te maken hebben. Het kan meer duidelijkheid scheppen, houvast geven en troost brengen. Maar je kind krijg je er niet mee terug. Het verdriet om je kind of een andere dierbare is een eenzaam verdriet, één groot gevecht, jarenlang. Niemand kan je écht helpen, je moet het vooral zelf doen.
Januari 1999
Januari a.s. is het acht jaar geleden dat ik een stukje uit Trouw knipte. Hierin schreef een diepbedroefde vader over de dood van zijn zoontje. Hij vond het een onnatuurlijke gang van zaken, was boos. Het greep mij zeer aan. Ik knipte het uit en borg het op.
Drie dagen later verongelukte Willem, onze 17jarige jongste zoon. Een paar uur na zijn dood kwamen mijn man en ik overeen dat we ons vooral zouden richten op de jaren die we samen mochten zijn, op dat wat we hadden gekregen, niet op wat ons werd afgenomen. In de dankbetuiging schreven we o.a.:
“Je kinderen zijn je kinderen niet, je mag voor ze zorgen en ze je liefde geven, soms lang, soms kort…
Wij hadden het voorrecht om ruim 17 jaar dit lieve, prachtige kind in ons midden te mogen hebben.
Wij hielden zo verschrikkelijk veel van hem”.
Toen ik dat schreef, had ik nog geen idee wat me te wachten stond: het verscheurende, schrijnende gemis dat met de jaren alleen maar erger leek te worden, de wanhoop en de waanzin, de maandenlange winterdepressies, het energievretende verdriet, maand in, maand uit, jaar in, jaar uit, het verstoorde gezinsevenwicht met alle gevolgen van dien, de bijkomende ellende en rampen die groot verdriet lijken aan te trekken.
Gelukkig was er geen wrok en bitterheid. Geen haat voor de jongen die het ongeluk veroorzaakte door zijn onvoorzichtige rijgedrag. Ze zien geen gevaar als ze zo jong zijn. Veel troost en warmte waren er van de mensen om ons heen. En inderdaad, niet iedereen reageert even tactvol. Zo leer je de mensen kennen, in hun kleinheid of in hun grootheid en alles wat daar tussenin ligt. Maar het was goed bedoeld en daar gaat het om. Ik realiseerde me toen pas dat ik misschien in het verleden zelf ook onbedoeld mensen heb gekwetst, doordat ik me niet voldoende in hun situatie kon inleven.
Waarom mocht ons levenslustige, veelbelovende en onmisbare jongetje niet ouder worden dan 17 jaar? Ik weet het niet en ben eerlijk gezegd ook nooit koortsachtig op zoek geweest naar een antwoord. Er is een psalm waar ik me goed in kan vinden:
“Het begrijpen is mij te wonderbaar, te verheven,
ik kan er niet bij”
evenals het volgende gedicht van een onbekende dichter:
”Oh vraag mij niet naar het “waarom”, het antwoord blijf ik schuldig.
Ik heb er God vaak mee bestookt, en hij vergaf veelvuldig.
Toen onder tranen nam ik aan dat ik eens alles zal verstaan” …
Als het verdriet ondraaglijk was of ik dacht gek te worden vroeg ik Willem mij te helpen: kind help me, ik kan niet meer, ik kan niet meer... En altijd werd ik geholpen, kreeg ik een tekst onder ogen die mij op de been hield, vond ik een mooie schelp waar ik al lang naar had gezocht, was er iets liefs, iets moois, iets wijs. Ik voelde mij nooit alleen staan in mijn verdriet. Veel moest ik zelf doen, het was onnoemelijk zwaar, maar als mijn krachten te kort schoten, kwam er ergens hulp vandaan.
We zijn inmiddels ruim acht jaar verder en ik ben tevreden met mijn bestaan. Voel me periodiek gelukkig en dankbaar voor alles wat ik in mijn leven ervaar: de natuur waar ik meer dan ooit van geniet, dierbare mensen om mij heen, een prachtige plek om te wonen. Grote dankbaarheid voor de kinderen die ik mocht krijgen, voor mijn dode kind evengoed als voor mijn levende kind. En hoewel de jaren verder gaan, blijft Willem niet achter. Ik hou van hem zoals ik van zijn broer hou, kus zijn foto en ben ongelooflijk blij met elk jaar dat hij er was, met de herinneringen maar ook met het besef dat hij nog steeds deel uit maakt van mijn dagelijkse realiteit. Onderstaand gedicht, waarvan ik de auteur niet ken, is mijn credo geworden:
“Ik schep niet als in vroeger dagen
mijzelf een toekomst meer,
maar leg mijn wensen en mijn werken
in Uwe handen neer”.
In alle vrijblijvendheid, want een ieder verwerkt het verdriet op een eigen manier en in een eigen tempo:
Lieve mensen, wanneer het verdriet het toelaat, probeer dan weer zicht te krijgen op al het mooie en dierbare om u heen dat gebleven is. Probeer uw verdriet niet tussen u en de rest van de wereld te laten komen. Als het even kan, geniet van uw andere kind(eren), hou meer van ze dan ooit en probeer ze niet extra te belasten, ze zijn nog zo jong en kwetsbaar. Probeer de mensen niet die u niet begrijpen niet te veroordelen, want ze kunnen u niet begrijpen al doen ze nog zo hun best.
Koester u in de warmte van de zon en langzaam, heel langzaam ruikt u de bloemen weer, ziet u de vogels in de tuin, ziet u hoe mooi alles is. Zak niet weg in de treurigheid. Af en toe valt het niet tegen te houden, maar doe uw uiterste best om weer in beweging te komen. Blijf iets doen: hardlopen, tuintje aanleggen, yoga, reizen, schrijven, schilderen, winkelen, maakt niet uit. Ga vooral niet lijden aan het “mijn kind is dood dus ik mag niet genieten syndroom”. Geniet tussen de ellende door van alles wat er te genieten valt. Lach wanneer er te lachen valt. Probeer met de kennis die je verworven hebt anderen te helpen als dat enigszins kan. Als je nachten niet hebt geslapen van de ellende, neem dan een half pilletje of een paar glazen wijn, maar maak het niet te gek. Wees er op voorbereid dat wanneer het een paar dagen redelijk goed gaat, er weer rampzalige weken volgen. Maar ook die gaan voorbij. En langzaam, heel langzaam begin je weer te leven, loop je ineens te zingen en grapjes te maken en ben je soms zo maar weer gelukkig.
Maria Quist
|
|
|